Camilo Torres (1929-1966) werd op 15 februari 1966 – op één maand na 60 jaar geleden – vermoord door het Colombiaans leger tijdens een gewapende actie van de guerrilla-beweging Ejército de Liberacion Nacional (ELN – Nationaal Bevrijdingsleger) in de stad Santander.
Deze gewapende verzetsorganisatie inspireerde zich op de katholieke bevrijdingstheologie en de revolutie in Cuba om zijn strijd tegen de gruwelijke onderdrukking van de arme boeren op het platteland te verantwoorden. Slechts acht maand voor zijn dood had Camilo zijn priesterambt neergelegd en zich aangesloten bij het gewapend verzet van het ELN.
Wie was Camilo Torres?
Camilo Torres was bij zijn geboorte allesbehalve voorbestemd om te gaan strijden tegen het regime van zijn land. Hij was het jongste kind van een welvarend gezin uit de elite. Zijn vader was diplomaat. Als jonge man koos hij voor het celibaat van het priesterschap.
Wat begon als paternalistisch ijveren voor een verbetering van het lot van de arme bevolking – zonder aan de oorzaken van die armoede te raken – evolueerde voor hem vrij snel naar een strijd tegen het grootgrondbezit dat de bevolking uitbuitte in de mijnbouw, de plantages op het platteland en in de stedelijke getto’s.

Dat semi-feodale systeem sloot de arme bevolking mensen uit van onderwijs. Het nationaal gehalte van analfabetisme was in de jaren 1960 28 procent, maar verdeeld over stad en platteland gaf dat andere cijfers. Buiten de steden kon ongeveer 50 procent van de bevolking lezen noch schrijven. In de steden was dat 15 procent. Bovendien was de capaciteit van armen die toch konden lezen en schrijven van een bijzonder laag niveau.
Democratische oppositie was onmogelijk
Colombia is officieel een parlementaire democratie met regelmatige verkiezingen. In de praktijk waren die verkiezingen massaal vervalst, werden honderdduizenden uitgesloten van deelname aan de verkiezingen en gaven de media slechts het standpunt van hun rijke eigenaars.
Vreedzaam protest werd gruwelijk onderdrukt. Bij gebrek aan een democratische stem was de stap naar gewapend verzet onvermijdelijk.
Na de burgeroorlog (1948-1958) sloten de twee machtspartijen een pact om met een beurtrol de president te leveren. Dit antidemocratisch pact blokkeerde elk politiek alternatief zeer gewelddadig en hield stand tot de verkiezing van Gustavo Petro in augustus 2022, de eerste linkse president van het land in zijn hele geschiedenis.
Vreedzaam ongewapend protest werd door dit pact gruwelijk onderdrukt met ontelbare massaslachtingen. Bij gebrek aan een democratische stem was de stap naar gewapend verzet in dit immens uitgestrekte en dun bevolkte land onvermijdelijk.
In de jaren 1960 waren vier guerrillabewegingen actief in Colombia. De marxistisch-leninistisch geïnspireerde Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia (FARC), de op de christelijke bevrijdingstheologie en de Cubaanse revolutie geïnspireerde ELN en het maoistische Ejercito Popular de Liberacion (EPL) (M19 was van een latere datum en in tegenstelling tot de andere drie was het een stadsguerrilla, waar president Gustavo Petro in zijn jonge studentenjaren bij actief was).
Priester wordt vrijheidsstrijder
Kort na zijn priesterwijding kon Camilo Torres in 1954 met een beurs van de kerk politieke en sociale wetenschappen gaan studeren aan de Katholieke Universiteit Leuven (KUL). De KUL stond in die periode open voor Latijns-Amerikaanse intellectuelen die zich inspireerden op wat de katholieke bevrijdingstheologie werd. Hij werd er vice-rector van het Latijns-Amerikacollege waar ook Frans Wuytack studeerde. Via Abbé Pierre in Parijs kwam hij in contact met het Algerijns verzet tegen de Franse kolonisator.
Met al die nieuwe ervaringen keerde hij in 1958 terug naar Colombia, waar hij parochiepriester werd aan de campus van de Nationale Universiteit van Bogotá en mede-oprichter werd van de faculteit sociale wetenschappen. Hij engageerde zich steeds meer in de sloppenwijken, werkte mee aan de bouw van sociale woningen en organiseerde politieke debatten. Zowel de leiding van de universiteit als de kerkelijke hiërarchie zagen dit met lede ogen aan.

In 1965 werkte hij mee aan de oprichting van een eenheidsfront van linkse partijen. Zo wilde hij de versnipperde oppositie samenbrengen voor de komende parlementsverkiezingen. Het programma van het Frente Unido del Pueblo (Verenigd Volksfront) stond voor nationalisatie van industrie en banken, onteigening van de grootgrondbezitters, verdeling van het land onder de arme boeren, gratis onderwijs en gezondheidszorg. Intern gekibbel liet dat front echter reeds sneuvelen voor de verkiezingen.
Voor de officiële kerk was de maat vol. Hij werd ontslagen aan de universiteit en kreeg de keuze om een doctoraat te studeren aan de KUL of zijn politieke activiteiten in Colombia volledig stop te zetten. Op 25 juni 1965 legde hij zijn priesterschap neer en sloot zich aan bij het gewapend verzet van het ELN, de verzetsorganisatie die overeenkwam met zijn christelijke ideeën over gelijke rechten voor de armen.
Acht maand later op 15 februari 1966 werd hij gedood tijdens een actie van het ELN om wapens te stelen uit een voorraad van het leger in Santander. Het was de eerste gewapende actie waar hij zelf aan deelnam. In Colombia is hij nog steeds een icoon van het verzet en een van de boegbeelden van de mei’68-beweging in Europa.
Eerherstel
President Gustavo Petro heeft een oproep gedaan om hem een eregraf te bezorgen op de campus van de Nationale Universiteit van Bogotá. De rechtse politieke krachten denken er heel anders over. Zij zien in hem een gevaarlijk symbool voor het economisch status quo dat hen hun geprivilegieerde maatschappelijke positie garandeert.
Het Nationaal Instituut voor Wettelijke Geneeskunde en Forensische Wetenschappen moet de identificatie van Camilo Torres nog officieel bevestigen. Zijn beenderen werden teruggevonden in een massagraf met andere Colombianen. Volgens het ELN is het zeker dat dit de plaats is waar hij werd begraven.
Het ELN is de enige gewapende verzetsorganisatie die de gewapende strijd nog niet heeft opgegeven. De organisatie onderhandelt nu met de regering over een einde van die gewapende strijd. Dat proces verloopt heel moeizaam. Een aantal ELN-opperbevelhebbers hebben zich immers afgescheurd en gereorganiseerd naar de lucratieve smokkel van drugs en goederen van en naar Venezuela.

De organisatie Unidad de Búsqueda de Personas Desaparecidas (Onderzoekseenheid van verdwenen personen) schat het aantal verdwenen slachtoffers van het rechtse geweld op 135.396. Er werden tot nu 13.033 plaatsen gevonden waar mogelijk slachtoffers begraven liggen. Daar werden al 4.303 slachtoffers geïdentificeerd.
De verbeten halsstarrigheid van de rechtse elite om de gruwel van de repressie zestig jaar na de feiten niet te erkennen is niet uniek voor Colombia. Ook in Spanje blijft rechts zich nog steeds verzetten tegen de opgravingen van massagraven door slachtpartijen begaan tijdens de burgeroorlog van 1936 tot 1939. Ze verzetten zich ook tegen de verwijdering van beelden en straatnamen die de leden van de militaire dictatuur van 1939 tot 1975 verheerlijken.
In de Brusselse straat te Leuven is een complex van studentenverblijven naar hem genoemd.