Vier wetenschappers van de ULB en de VUB onderzochten tussen 2023 en 2025 zestien maanden lang diversiteit en racisme bij de Brusselse politie. Hun rapport toont een systeem van racistisch wangedrag en misdrijven bij een hardnekkige minderheid van de politieagenten. Daarnaast zien ze ook positieve evoluties.
Met steun van Innoviris, een instelling van het Brussels Hoofdstedelijk gewest die onderzoeksprojecten financiert, analyseerden ULB-antropoloog Maité Maskens en ULB-socioloog Nawal Bensaïd samen met VUB-criminologen Sofie De Kimpe en Steven Debaut gegevens die ze verzamelden in drie van de zes politiezones van het Brussels Gewest. Hun onderzoeksrapport La diversité dans la police: l’épreuve de la démocratie werd eind 2025 in het Frans gepubliceerd, maar heeft weinig media-aandacht gekregen.
Naast een uitgebreid onderzoek van politierapporten over incidenten hebben ze 90 politieagenten geïnterviewd. Ze kregen daarvoor de volle medewerking van de korpschefs van drie politiezones. “Dat belette niet dat sommige politieagenten individueel niet bepaald gelukkig waren met onze aanwezigheid”, aldus een van de onderzoekers in haar gesprek met de krant Le Soir.
120 doden sinds 2010
Zij begonnen hun onderzoek vanuit een nuchtere vaststelling. Volgens een enquête van Vif, L’Echo, Knack en De Tijd zijn sinds 2010 minstens 120 mensen omgekomen bij diverse contacten met de Belgische politie. Van die slachtoffers heeft een overweldigende meerderheid Arabische, Afrikaanse, Turkse of Koerdische familienamen.
Enkele voorbeelden uit die lijst: Ilyes Abbedou (2021), Mohamed Amine Berkane (2021) en Sourour Abouda (2023) kwamen om tijdens hun detentie. Anderen stierven tijdens vuurgevechten of tijdens politiepatrouilles en -achtervolgingen. De tweejarige Iraaks-Koerdische peuter Mawda Shawri werd op 17 mei 2018 vermoord met een politiekogel. Op 3 juni 2025 kwam de twaalfjarige Moldavische jongen Fabian om het leven bij een achtervolging door een politiewagen op het grasveld van het Elisabethpark in Ganshoren. Zijn misdaad was het rijden met een elektrische step, waarvoor hij wettelijk te jong was.
Zo gauw men naar het niveau van hoofdinspecteur gaat, vindt men echter geen enkele agent meer met niet-Belgische roots
Het onderzoek van de ULB en VUB verliep aanvankelijk niet vlot. Maité Maskens zei in hetzelfde artikel van Le Soir daarover: “Wij hadden de indruk op een muur te botsen. Wij zeiden onszelf dat we ons in de eerste plaats tot de agenten zelf moesten richten. Anders zou dit onderzoek volledig boven hun hoofden gebeuren.” Zij deden niet alleen onderzoek naar racisme tegenover verdachten, ze gingen ook praten met agenten met allochtone roots. Werd hun specifieke kennis erkend, ingezet, genegeerd of tegen hen gebruikt?
Divers op straat, maar glazen plafond voor promotie
De onderzoekers stelden vast dat op het niveau van de straatagenten de diversiteit van de hoofdstad steeds beter wordt vertegenwoordigd. Uit de statistieken van DIVPOL blijkt dat van de 6750 agenten 70 procent Belgische ouders heeft, slechts 14,3 procent heeft één of twee ouders van buiten de EU, voor het grootste deel uit Marokko en voor een veel kleiner deel uit Turkije en Congo. Volgens Nawal Bensaïd zijn die cijfers echter een onderschatting van de echte diversiteit want heel wat agenten zijn weliswaar reeds derde of vierde generatie Belg, maar worden nog steeds gepercipieerd als ‘allochtoon’. Zij komen in deze cijfers niet voor.
Zo gauw men naar het niveau van hoofdinspecteur gaat, vindt men echter geen enkele agent meer met niet-Belgische roots. “Dat vertaalt zich in een zekere mate van vooringenomen wantrouwen op dat niveau tegenover allochtone bevolkingsgroepen én agenten met allochtone roots”, vertelt Maskens in Le Soir.
Dat glazen plafond voor geracialiseerde agenten ontstaat door meerdere remmen op promotie, zoals gebrekkige kennis van het Nederlands of andere talen maar ook door culturele codes die niet worden erkend. Een agent kreeg bijvoorbeeld van zijn collega’s de ‘raad’ zijn donkere baard te scheren “omdat dat slecht gezien werd, dat deed een beetje ‘terroristisch’ aan”.

Volgens Maité Maskens is dit wantrouwen van hogere politieofficieren tegen jonge agenten met allochtone roots een ernstig probleem. Niet-allochtone agenten gaan daar op in en melden onder meer tegen hun oversten dat hun Maghrebijnse collega “teveel mensen kent in de dievenbendes. We kunnen die dus niet vertrouwen”. In plaats van die kennis te gebruiken voor degelijk politiewerk keert die kennis zich zo tegen de betrokken agent. Zo voelen sommige agenten zich verplicht om net harder op te treden tegen personen van hun eigen gemeenschap “om hun onpartijdigheid te bewijzen”.
‘Grapjes’
Het onderzoek spitste zich aanvankelijk niet toe op racisme tijdens het optreden van de politie. Geleidelijk ondervonden de onderzoekers echter dat ze dat probleem niet konden blijven negeren. Agenten maken bijvoorbeeld tegen nieuwe collega’s zogezegd lichtjes racistische grapjes om te zien hoe ze reageren. Nieuwe agenten die hun collega’s daarover zeggen dat ze die niet grappig vinden worden vervolgens gestigmatiseerd als ‘een linkse’ (un gauchiste).
“Er zijn wel degelijk heel wat agenten die de diversiteit van Brussel als een rijkdom zien”
De onderzoekers verwerpen het excuus dat politiekorpsen nu eenmaal een deel racisten in hun rangen tellen “omdat de maatschappij als geheel ook deels racistisch is”. Vorming en opleiding kan dat probleem niet alleen oplossen, maar het is wel het beginstadium om goede agenten te selecteren.
Bovendien stellen ze ook positieve signalen vast: “Er zijn wel degelijk heel wat agenten die de diversiteit van Brussel als een rijkdom zien, heel graag in Brussel werken, iedere handelaar in hun wijk kennen, zich interesseren voor het leven van de bewoners (…) maar dat is niet het discours van het politieapparaat boven hen.”
Contradictorische evolutie
In een officiële reactie op het onderzoeksrapport verklaart een politiewoordvoerder dat “dit onderzoek zeker een interessante basis is, nuttig voor het debat”, een eerder vage bewoording om in feite géén commentaar te geven. De hoofdcommissarissen van de drie politiezones waar het onderzoek werd uitgevoerd zijn echter niet te vinden in de onderzoekstelling dat “de manier waarop rekening wordt gehouden met de diversiteit globaal niet beantwoordt aan de uitdagingen.”
Positief is dat op niveau van de agent (die hoofdzakelijk verkeersopdrachten vervult) en van de inspecteur (die politie-onderzoeken verricht) het korps proportioneel meer en meer op de bevolking begint te lijken. De graad van inspecteur is vrij toegankelijk na 6 jaar anciënniteit en een examen (met een opleiding van zes maanden). Daar staat tegenover dat er nog steeds een hardnekkig glazen plafond is voor promoties vanaf de graad van hoofdinspecteur. Geen enkele hogere officier van commissaris tot korpschef van het Brussels politiekorps heeft allochtone roots.
Die evolutie lijkt contradictorisch maar is het in feite niet. Enerzijds neemt het aantal agenten met een positieve kijk op diversiteit toe, maar anderzijds wordt de kleiner wordende minderheid van racistische of islamofobe agenten hardnekkiger. Een groot psychologisch probleem blijft de politiecultuur van de collegiale zwijgplicht. Je geeft geen collega aan, zelfs als die daden stelt waar je het niet mee eens bent. De vraag is dan ook niet of het korps diverser wordt, maar of het die diversiteit in zijn hoogste rangen zal toelaten en zal inzetten voor de uitdagingen in Brussel.