In twee korte essays ‘Portret van de kolonisator & Portret van de gekoloniseerde’ toont de Tunesische auteur Albert Memmi hoe kolonisator en gekoloniseerde onlosmakelijk deel zijn van één tragisch geheel van dominantie, privilege tegen discriminatie en onderdrukking.
In het eerste essay van Portret van de kolonisator & Portret van de gekoloniseerde maakt auteur Albert Memmi een onderscheid tussen de kolonist, de kolonisator en de kolonialist. De kolonist is elke witte persoon (bijna altijd zijn dat mannen) die vanuit het moederland aanwezig is in dat andere land dat door hem wordt gedomineerd en uitgebuit.
De kolonisator doet meer dan alleen maar genieten van zijn privileges en legt actief met volle overtuiging en zonder enig scrupule het koloniale systeem op. Dan is er nog de kolonialist, eender welke persoon in kolonie en moederland die het kolonialisme in al zijn vormen goedkeurt, zonder daarom noodzakelijk zelf kolonist te zijn.
Ook de kolonist die vanuit een achtergesteld arbeidersmilieu in Frankrijk naar Tunesië migreert met ‘goede intenties’ om de inboorlingen te helpen is uiteindelijk een witte geprivilegieerde uitbuiter. Hij rationaliseert zijn privilege vanuit zelf beweerde goede bedoelingen. Hij doet ten gronde echter identiek hetzelfde als de kolonisator die zijn privilege als natuurlijk ervaart en de inboorlingen openlijk misprijst, wat de ‘goede’ kolonist niet doet. Is die ‘goede’ kolonist in de kolonie een nouveau riche van de upper class, in zijn moederland blijft hij een geminachte mindere.
De kolonist heeft twee keuzes: zijn aanwezigheid in de kolonie afkeuren en terugkeren naar zijn moederland of zijn verdere verblijf rationaliseren door zijn privileges te ontkennen of te minimaliseren. De kolonisator daarentegen gaat met volle overtuiging door. Voor Memmi zijn er uiteindelijk “geen goede of slechte kolonisten: enkel kolonisatoren”.
De enige andere keuze is verzet
Onder hen leven – overleven de gekoloniseerden. Zij worden door hun onderschikking psychisch gekwetst en vernederd. Of die vernedering er komt door kolonisten, kolonisatoren of kolonialisten maakt daarbij geen enkel verschil. Hun afgedwongen ‘keuze’ is assimilatie, met erkenning van de eigen ondergeschikte status. Om de pil te vergulden kan daar bewondering voor de hoge beschavingsnormen van de onderdrukkers bijkomen (‘Hebben we dit niet zelf verdiend?’). De enige andere keuze is verzet.
Het dramatische trauma van de gekoloniseerden is dat ze na de hard bevochten onafhankelijkheid, aspecten van die koloniale overheersing overnemen: discriminatie van minderheden, geen democratische instellingen. Memmi herhaalde het ook in zijn andere boeken: het kolonialisme berokkende niet alleen enorme economische schade aan de betrokken volkeren, het had ook een enorme psychische impact – die tot vandaag doorwerkt in hedendaags racisme.
De enorme psychische impact – die tot vandaag doorwerkt in hedendaags racisme
Albert Memmi heeft nooit de bekendheid gekregen van Frantz Fanon of Aimé Césaire. Zijn stellingnames werden ook niet altijd begrepen door de buitenwereld: hij was tegelijkertijd een hevig tegenstander van het Franse kolonialisme én groot bewonderaar van de Franse taal en cultuur. Zijn eigen levensloop bepaalde die tweespalt.
Memmi werd op 15 december 1920 geboren in Tunis, hoofdstad van het Franse protectoraat Tunesië sinds 1881. Net als latere protectoraten van de Volkerenbond, onder andere België over Rwanda en Burundi en Groot-Brittannië over Palestina, bestuurde Frankrijk Tunesië in feite als een koloniaal wingewest.
In tegenstelling tot zijn officiële kolonies waar Frankrijk zelf de regering in handen had, liet de heersende overmacht weliswaar lokale regering toe door de autochtone bevolking. Die deden wat Frankrijk hen oplegde.
Van in zijn jonge jaren besefte Memmi dat hij een buitenbeentje was op vele vlakken
Van in zijn jonge jaren besefte Memmi dat hij een buitenbeentje was op vele vlakken. Voor de Fransen was hij een minderwaardige inboorling. Ook voor Joden in Europa was hij minderwaardig, omdat hij tot een Arabisch sprekende Joodse gemeenschap behoorde. Dat maakte hen tevens verdacht voor zionisten in Palestina. Frankrijk behandelde hen tegelijkertijd als iets minder inferieur dan de moslimbevolking, die daarom na de onafhankelijkheid op zijn beurt de Joodse landgenoten ging discrimineren.
Het maakte zijn latere relatie met Israël vanaf 1949 ingewikkeld. Hij erkende het recht van Joden op een eigen veilig land in Palestina, maar zag dat recht als een gelijkwaardig samenleven met de autochtone bevolking. Zijn idee van wat zionisme zou moeten zijn bleek niet overeen te komen met de zionistische apartheidsrealiteit in Israël en de bezette gebieden.
Zijn ervaring in Tunesië was het Franse kolonialisme
Memmi was daarom kritisch voor de mishandeling van de Palestijnen door de nieuwe bewoners, maar weigerde Israël een koloniale of bezettende staat te noemen. Zijn ervaring in Tunesië was het Franse kolonialisme. Dat bestond uit overheersing door personen vanuit moederland Frankrijk. Dat moederland bestond voor Israël niet, dus kon het voor Memmi geen koloniaal regime zijn.
Bevrijding van dat Franse kolonialisme in Tunesië kon er alleen komen door nationale onafhankelijkheid. Hij steunde daarom de vrijheidsstrijd van Tunesië. Tijdens de Duitse bezetting van Tunesië (1942-1943) zat hij in een strafkamp voor dwangarbeid. Na de Tunesische onafhankelijkheid in 1956 moest hij vaststellen dat hij als Jood met voormalige geprivilegieerde status tegenover de moslimmeerderheid niet langer welkom was als gelijke in zijn land.
Hij koos in 1957 voor emigratie, niet naar Israël, maar naar Frankrijk waar hij een academische loopbaan begon aan de Université de Nanterre en de École pratique des hautes études (HEC) in Parijs. De Franse nationaliteit werd hem echter geweigerd tot 1973, omwille van zijn stellingnames tijdens de antikoloniale strijd in Tunesië.
Memmi pende meer dan 30 boeken. Het boek Portret van de kolonisator & Portret van de gekoloniseerde was in 1957 zijn derde publicatie. Zijn hele oeuvre beschreef kolonialisme, racisme en Joods-zijn in een overwegend niet-Joodse maatschappij. Hij overleed in Parijs op 22 mei 2020 op 99-jarige leeftijd.
Zijn Portret van de kolonisator & Portret van de gekoloniseerde (1957) verscheen na Zwarte huid, witte maskers (1952) van Frantz Fanon en Over het kolonialisme (1950) van Aimé Césaire. Het boek kreeg in de Franstalige wereld veel weerklank, maar werd daarbuiten nauwelijks opgemerkt. Hij is in tegenstelling tot Fanon en Césaire bijna helemaal vergeten.
Deze Nederlandse vertaling is een terecht eerherstel.
Albert Memmi. Portret van de kolonisator & Portret van de gekoloniseerde. Octavo, Amsterdam, 2026, 164 pp. ISBN 978 9490 3344 68
Deze vertaling bevat het voorwoord van Albert Memmi bij de Franse heruitgave van 1966 en het originele voorwoord dat Jean-Paul Sartre schreef bij de eerste publicatie in 1957. Vertaler Esha Guy Hadjadj voegde er een informatief nawoord aan toe dat Albert Memmi en zijn boek in zijn historische context plaatst.