Het Israëlisch parlement heeft een wetsvoorstel goedgekeurd dat de doodstraf door ophanging mogelijk maakt. Maar deze wet geldt feitelijk alleen voor Palestijnen. De wet schendt fundamentele principes van eerlijke rechtspraak en vormt een ernstig risico voor de duizenden Palestijnen die zonder proces worden vastgehouden.
Het wetsvoorstel ‘Doodstraf voor terroristen’ is in de nacht van 30 – 31 maart 2026 met een meerderheid goedgekeurd tijdens de plenaire zitting van de Knesset, het Israëlisch parlement. Het voorstel werd ingediend door minister van Nationale Veiligheid Itamar Ben-Gvir van de extreemrechtse partij Otzma Yehudit (Joodse Kracht).
Achter de schermen
Achter de schermen werd er nog zwaar gedelibereerd. Niet zozeer over eventuele wijzigingen aan de wet, maar over het al dan niet doordrukken van de wet zoals het nu in de commissie is afgehandeld. Eerste minister Benjamin Netanyahu heeft geen principiële bezwaren tegen de wet, maar hij wilde dat minister Ben-Gvir zijn voorstel zou intrekken of minstens uitstellen, omdat hij vreest voor internationaal protest.
Het doodsvonnis moet binnen 90 dagen na de uitspraak worden uitgevoerd
Het agentschap voor binnenlandse veiligheid Shin Bet en het ministerie van Buitenlandse Zaken waarschuwen voor het gevaar van aanslagen tegen Joodse gemeenschappen in het buitenland als de wet wordt goedgekeurd. Ben-Gvir dreigde met het verlaten van de regering als de wet er niet komt. Dit wetsvoorstel schendt op meerdere vlakken aanvaarde internationale normen voor wat als eerlijke en transparante rechtsgang wordt erkend.

De doodstraf wordt namelijk enkel ingevoerd voor misdaden die in de Israëlische wetgeving als ‘terrorisme’ worden geclassificeerd en in militaire rechtbanken worden behandeld. Alleen Palestijnen die Israëlisch staatsburgerschap hebben en Palestijnen in de bezette gebieden zoals de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem, Gaza en de Syrische Golan-hoogvlakte vallen onder militaire rechtspraak. Joodse burgers met de Israëlische nationaliteit en Israëlische kolonisten worden daarentegen door de gewone civiele rechtbanken vervolgd, waar deze nieuwe wet niet van toepassing is.
De wet biedt de veroordeelde geen enkele kans op strafvermindering
Daarbovenop schendt de wet nog meer fundamentele principes van eerlijke rechtspraak. Zo vergt het vonnis geen unanimiteit van de jury, enkel een eenvoudige meerderheid volstaat. Bovendien laat de wet geen enkele mogelijkheid tot beroepsprocedures toe. En ook een verzoek tot gratie of omzetting naar een lagere straf zijn uitgesloten.
De wet biedt de veroordeelde dus geen enkele kans op strafvermindering. Ook moet het doodsvonnis binnen 90 dagen na de uitspraak worden uitgevoerd.
Maar de veroordelingen van Palestijnen vinden vaak plaats op basis van bekentenissen die onder zware folteringen zijn verkregen. Bovendien houden militaire rechtbanken bewijzen achter zodat de beschuldigden zich niet goed kunnen verdedigen. Haar vijfde onderzoeksrapport wijdt VN-Speciaal Rapporteur voor de bezette Palestijnse Gebieden Francesca Albanese volledig aan de praktijk van foltering in Israëlische gevangenissen.
Verzet, geen principiële bezwaren
Twee kleine oppositiepartijen hadden verklaard tegen de wet te zullen stemmen, maar niet uit principiële bezwaren. De partij Yisrael Beytenu (Israël Ons Huis) zal alleen voor stemmen als eerste minister Netanyahu aanwezig is bij de stemming in de plenaire zitting en ‘ja’ stemt (in Israël kan je tegelijkertijd minister en parlementslid zijn). Dat is gebeurd, Netanyahu heeft voor gestemd. De partij Degel Ha Torah (Banier van de Torah) overwoog eveneens tegen te stemmen, omdat een aantal rabbijnen had verklaard dat dit de veiligheid van Joodse gemeenschappen in het buitenland in gevaar zou brengen.
In een ultieme poging tot compromis werd nog een amendement ingediend dat ‘in speciale omstandigheden’ gekozen kan worden voor levenslange gevangenisstraf. De omschrijving van de misdaad “vermoorden van een Joodse burger” werd vervangen door “intentioneel veroorzaken van de dood van een persoon”, in een poging de al te openlijk racistische terminologie in de wet te verhullen. De verdere omschrijving “met de doelstelling het recht op bestaan van de Staat Israël te ontkennen” wordt daarentegen behouden.
Petitie voor het Hooggerechtshof
Nu de wet is goedgekeurd, wordt het nog beoordeeld door het Hooggerechtshof omdat Israëlische verenigingen voor mensenrechten direct een petitie hebben ingediend. Zij argumenteren dat de wet een overtreding is van de Basiswet over Menselijke Waardigheid en Vrijheid (Israël heeft geen Grondwet). Daarvoor hebben ze een analyse uitgeschreven met alle argumenten tegen de wet The Death Penalty Bill – A Fundamental Breach of International Law Through Targeting Capital Punishment of Palestinians.
De doodstraf bestaat in Israël in theorie reeds voor oorlogsmisdaden, maar werd sinds 1962 niet meer toegepast. Tot die tijd is de doodstraf tweemaal uitgevoerd. De meest bekende executie was in 1962 toen de Duitse oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann, logistieke leider van de Holocaust, werd opgehangen.
“Een zoveelste discriminerende stap in het systeem van apartheid in Israël”
Deze nieuwe wet breidt de mogelijkheid voor het opleggen van de doodstraf aanzienlijk uit ten opzichte van deze oude wet. Volgens Amnesty International is dit “een zoveelste discriminerende stap in het systeem van apartheid in Israël”.
De regeringen van Frankrijk, Duitsland, Italië en Groot-Brittannië hebben hun “bezorgdheid geuit over het feitelijk discriminerende karakter van de wet”. Dit zijn net de vier grootste verdedigers van de genocide in Gaza in de EU.
Ook meerdere VN-experten menen dat de wet niet aanvaardbaar is, omdat het geen enkele rekening houdt met omstandigheden, verzachtende factoren en omdat de straf niet proportioneel is tegenover de beweerde misdaden. Tot slot bevestigt de Raad van Europa zijn standpunt dat het de doodstraf verbiedt “op alle plaatsen en in alle omstandigheden”.