2 augustus 1980: extreemrechts vermoordde in Bologna 85 mensen, de grootste terreuraanslag in Italië ooit

Urenlang werd nog naar slachtoffers gezocht, tevergeefs. Foto: Public Domain

FacebooktwitterFacebooktwitter

40 jaar geleden pleegden extreem-rechtse terroristen de nog steeds grootste terroristische aanslag ooit in Italië. 85 mensen kwamen om bij een bomaanslag in het centraal treinstation van Bologna. Banden van de daders met vrijmetselaarsorganisatie P2, de staatsveiligheid en rechtse politici werden door het Italiaanse gerecht tientallen jaren genegeerd en ontkend. Pas nu de echte daders allen overleden zijn konden zij gediscrediteerd worden.

Op 2 augustus 1980 om 10u25 ontplofte een zware bom in een achtergelaten valies in een van de twee wachtzalen van het treinstation Bologna Centrale. De zaal naast de centrale vertrekhal zat tijdens het eerste weekend van augustus vol met vertrekkende en huiswaarts kerende toeristen. De impact was enorm. Het dak stortte onmiddellijk in. Ook meerdere reizigers op perron 1 naast de zaal en in de daar wachtende trein werden geraakt. Meer dan 200 personen werden zwaar gewond, 85 mensen overleden ter plaatse.

Omstaanders hielpen mee de gewonden vervoeren. Foto: WikiMedia Commons/CC BY 3:0

De hulpdiensten van Bologna waren niet opgewassen tegen de enorme schaal van de aanslag. Omstaanders hielpen urenlang bij het opruimen van het puin om nog levende slachtoffers te redden. Bussen en taxi’s werden ingezet om gewonden te vervoeren naar de omliggende hospitalen omdat er niet genoeg beschikbare ambulances voorhanden waren.

Dokters en verplegers met verlof of met een vrij weekend keerden terug om te helpen en afdelingen, gesloten voor de zomer, werden heropend voor operaties en verzorging. Na enkele uren besloten politie en brandweer reeds dat er geen technische oorzaak was. Verder onderzoek besloot dat een massieve bom van 23 kilogram TNT met een timer tot ontploffing was gebracht.

In de dagen na de aanslag gingen talrijke demonstraties door in Bologna en andere steden die de regering laksheid en incompetentie verweten. Leden van de regering werden tijdens de begrafenisplechtigheid in de basiliek van San Petronio uitgejouwd.

Van ‘fysieke’ daders’ over ‘intellectuele’ daders naar échte daders?

Na jaren onderzoek en procederen werden in 1988 een aantal leden van de neofascistische organisatie Nuclei Armati Rivoluzionari (NAR – Gewapende Revolutionaire Kernen) en Terza Positione (TP – Derde Positie) tot zware straffen veroordeeld. Later werden deze vonnissen geannuleerd en in 1993 werd een groot deel van de veroordeelden alsnog vrijgesproken.

In 1995 bevestigde het Hooggerechtshof het vonnis van zes nog in de gevangenis zittende beschuldigden, maar ook hiervan kwamen drie beschuldigden snel terug vrij. In 2007 en begin 2020 werden nog twee personen veroordeeld voor de aanslag. Individuele leden van de politie en de staatsveiligheid werden in de marge van het onderzoek veroordeeld voor het vervalsen van bewijzen en het verspreiden van foute berichten.

Begin 2020, 40 jaar na de feiten, werden uiteindelijk de bewijzen openbaar gemaakt dat de extreem-rechtse organisatie P2 wel degelijk achter de aanslag zat. Het heeft met andere woorden geduurd tot alle medewerkers aan de aanslag, passief of actief, niet langer bij de staatsveiligheid, justitie en de politie werkten en/of overleden waren voor de waarheid aan het licht kon komen.

De intellectuele daders van de aanslag waren Licio Gelli (overleden in 2015), Umberto Ortolani (overleden in 2002), Federico Umberto D’Amato (overleden in 1996) en Mario Tedeschi (overleden in 1993). Uit het onderzoek bleek dat deze daders in feite reeds bekend waren vanaf dag één, maar konden rekenen op hun uitgebreid netwerk van contacten, spionnen, collaborateurs in de Italiaanse overheidsdiensten en binnen de politiek-economische elite van het land. Hun idee was met deze aanslag een linkse coalitieregering van socialisten en communisten te voorkomen en een rechtse politiestaat af te dwingen.

Daders met een indrukwekkend cv

Gelli was nazi-collaborateur tijdens WOII en CIA-spion na de oorlog. Hij was goede maatjes met meerdere politici, waaronder christen-democraat Giulio Andreotti (vijf maal eerste minister tussen 1972 en 1992, zes jaar minister buitenlandse zaken tussen 1989 en 1992 en senator voor het leven van 1991 tot 2003).

Licio Gelli (midden) in gezelschap van minister Giulio Andreotti. Foto: Public Domain

Andreotti werd later zelf vervolgd voor banden met de maffia. Zo werd onder meer bewezen dat hij als minister meerdere ontmoetingen had met maffiabazen. Hij was tevens lid van P2. Door vertragingsmanoeuvres kon hij deze rechtszaak voorbij de verjaring tillen. De Italiaanse media noemden dat vervolgens ‘vrijspraak’.

De grote media volgden over de hele periode volledig de lijn van het Italiaanse overheidsapparaat: uitstellen, verhinderen, goedpraten, leugens verspreiden over de rechtse aanslagen en daarentegen met alle inzetbare middelen extreem-linkse terreur vervolgen.  Een van de toenmalige machtige mediatycoons was de dan nog niet zelf politiek actieve Silvio Berlusconi.

Ortolani was de enige van de vier hoofddaders zonder openbaar profiel. Hij was een discreet zakenman met belangen in media en vastgoed in Italië, Uruguay, Paraguay, Argentinië en Brazilië. Hij zou de fameuze ‘mijnheer niemand’ zijn die de fysieke daders van Bologna het geld bezorgde voor de logistieke organisatie van de aanslag. Tedeschi was jarenlang journalist voor het aartsconservatieve weekblad Il Borghese en senator voor de fascistische partij MSI.

D’Amato werkte tijdens WOII vanuit Frankrijk voor de Office of Strategic Services (OSS), wat na de oorlog de CIA werd. Na de oorlog werkte hij bij de inlichtingen van de NATO en had hoge functies in de staatsveiligheid. Zijn taak bestond onder meer in het organiseren van geheime operaties tegen de vakbonden. Hij was instrumenteel in het hinderen van het gerechtelijk onderzoek naar de aanslag van Bologna. Tevens was hij betrokken bij een eerdere extreemrechtse aanslag van 28 mei 1974 in Brescia waarbij acht doden en 102 gewonden vielen.

Het systeem achter de daders werd nooit ontmaskerd

Het is echter veel te eenvoudig om te stellen dat met de ontmaskering van deze vier daders de aanslag van Bologna echt werd opgelost. Deze personen konden immers alleen doen wat ze deden omdat ze ruime instemming en steun genoten in het Italiaanse overheidsapparaat, bij politici en in economische middens.

Hun grootse plan voor de oprichting van een fascistische politiestaat naar Spaans model is uiteindelijk grandioos mislukt om weinig ideologische redenen. Hun gevoel van oppermacht creëerde een vals idee van totale onschendbaarheid op andere vlakken. Alle vier daders raakten betrokken bij grootschalige financiële corruptie, wat hun uiteindelijk de das omdeed. Niet hun politieke misdaden in opdracht maar hun corruptie voor eigen profijt werden onaanvaardbaar voor de Italiaanse politiek-economische elite en betekende zo hun ondergang. Geen van hen heeft echter ooit gevangenisstraffen uitgezeten, noch voor de corruptie, noch voor hun verantwoordelijkheid voor de aanslag van Bologna.

Het aanvankelijke gerechtelijk onderzoek naar de aanslag wordt nog steeds bekritiseerd als politiek vooringenomen, onvolledig en doelbewust vertraagd en gesaboteerd. Waarschijnlijk zal deze aanslag dus nooit echt opgelost geraken. De manier waarop dit onderzoek werd gevoerd heeft geleid tot talloze hypothesen en samenzweringstheorieën, dikwijls aangestuurd door de milieus en personen die zelf verdacht werden van actieve of passieve medewerking met de organisaties verantwoordelijk voor de aanslag.

Anni di Plombi

Deze aanslag was in deze tijdsperiode niet uitzonderlijk in Italië, waar bloedige aanslagen tegen politici, zakenmensen, politieke leiders, journalisten, rechters tijdens de Anni di Plombi (‘de jaren van lood’) 1970 en 1980 zéér frequent waren. Naast deze aanslagen met een politieke achtergrond van extreemlinks tot extreemrechts kwamen in dezelfde periode ook veel bestrijders van de maffia of interne rivalen om bij aanslagen.

Gerichte aanslagen tegen personen komen nog steeds voor in Italië, wel veel minder dan tijdens de jaren van lood. Aanslagen door de georganiseerde misdaad hebben een eenvoudig te vatten logische context, meestal was er geen politieke motivatie in het spel, alhoewel er ook wel aanslagen werden gepleegd door de maffia in samenspraak met of in opdracht van extreemrechtse groeperingen. De maffia deed dat uiteraard enkel als ze daar zelf baat bij had. Daarentegen heeft de georganiseerde misdaad nooit enige banden of samenwerkingsvormen met extreemlinks terrorisme gehad.

Gerichte terreur versus blinde terreur

Er is ook altijd een duidelijk onderscheid geweest in de aard en de impact van de politieke aanslagen door extreemlinks en extreemrechts. Extreemlinks, in hoofdzaak de beruchte Rode Brigades, pleegden gerichte aanslagen tegen personen die op een of andere manier de overheid, de bedrijfswereld en de regering vertegenwoordigden: politieagenten, generaals, rechters, bedrijfsleiders, een econoom, een universiteitsdecaan, een burgemeester, een VS-diplomaat waren hun slachtoffers. Verder pleegden ze gewapende overvallen op banken en aanslagen tegen kazernes van politie en leger. Qua aantal aanslagen overtroffen zij die van extreemrechts.

Extreemrechtse aanslagen waren daarentegen vormen van blinde terreur tegen de bevolking en veroorzaakten telkens meerdere slachtoffers. Onschuldige omstaanders die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren werden meedogenloos vermoord. Met de aanslag van Bologna en zijn 85 doden kwamen in één klap meer mensen om door terroristisch geweld dan alle aanslagen van extreem-links, extreemrechts en de maffia samen sinds de Tweede Wereldoorlog.

Het uurwerk aan het station van Bologna werd niet meer hersteld en staat voor altijd op 10:25 uur. Foto: Prof. Quartermass/CC BY 3:0

Er was nog een element dat extreemlinks terrorisme onderscheidde van extreemrechts terrorisme. Nooit werden tegen extreemlinkse terroristen vermoedens – laat staan bewijzen – geuit of beweerd van samenwerking of collusie met personen in de staatsveiligheid, politie, leger of justitie. Zowat alle extreemrechtse organisaties in Italië – ook zij die geen aanslagen pleegden (of er nooit van verdacht werden) – hebben daarentegen samenwerkingsverbanden gehad met de overheidsdiensten verantwoordelijk voor de openbare orde in Italië.

Bewijzen voor samenwerking met de staatsveiligheid bij de aanslag van Bologna werden nooit geleverd. Dit ontberen van bewijzen was echter nooit het gevolg van grondig gerechtelijk onderzoek, maar van het omgekeerde, een totaal gebrek aan enig ernstig onderzoek. Een gebrek aan bewijzen is daarom nog geen bewijs van het omgekeerde, maar echte duidelijkheid werd nooit geschapen.

Een aantal lagere officieren van de Servizio per le Informazioni e la Sicurezza Militare (SISMI – de militaire inlichtingendienst) werden later veroordeeld voor ‘belemmering van de rechtsgang’ bij het onderzoek van Bologna. Zij hadden gepoogd met vals bewijsmateriaal de schuld voor de aanslag bij extreemlinkse groeperingen en bij pro-Palestijnse activisten te leggen.

Bologna was ook niet zomaar toevallig een doelwit. Bologna Centrale is het vijfde drukste treinstation van Italië qua aantallen reizigers en het tweede drukste qua treinbewegingen (800 treinen per dag – cijfers 2016). Bovendien was (en is) de universiteitsstad Bologna de intellectuele hoofdstad van links in Italië.

Terrorisme in de 21ste eeuw

De voorbije jaren is er veel aandacht gegaan naar terroristische aanslagen in binnen- en buitenland door organisaties en personen die zich beroepen op een extremistische interpretatie van de islam. De aanslagen in Brussel en Parijs hadden gruwelijke gevolgen en werden terecht gecatalogeerd voor wat ze waren: terroristische aanslagen. Alle middelen werden ingezet om de daders te vatten en voor het gerecht te brengen. Bepaalde veiligheidsmaatregelen na de aanslagen van 2016 in België gelden nog steeds.

De centrale wachtzaal van Bologna Centrale. Eigen foto 30 april 2019

Hoe erg deze golf van aanslagen ook was, de indruk die in de mainstream media werd gecreëerd dat het hier om een nieuw en ongeëvenaard fenomeen zou gaan klopt niet. Integendeel, de golf van terroristische aanslagen in de jaren 1970 en 1980 was intenser en eiste veel meer doden. Uiteindelijk zijn de groeperingen, organisaties en individuen die er toen verantwoordelijk voor waren opgepakt en bestraft. Uit die toenmalige aanpak had men lessen kunnen trekken over hoe terrorisme best wordt bestreden. Dat blijkt jammer genoeg niet het geval te zijn.

Tijdens een symposium van experten en juristen in Brussel op 20 april 2017 werd nagedacht over de huidige aanpak van het terrorisme en werd teruggeblikt op hoe vroeger met terrorisme werd omgegaan. In de jaren 1970 en 1980 waren er immers méér terroristische aanslagen in Europa dan nu, met méér slachtoffers. Dat praat uiteraard geen enkele terreurdaad nu goed: het is gewoon een statistische vaststelling (zie Experten unaniem vernietigend voor aanpak strijd tegen terreur).

Er waren toen immers niet alleen terroristische aanslagen in Italië. Er waren de CCC en de Bende van Nijvel in België, de Rote Armee Fraktion in Duitsland (die onder meer Hans Schleyer, hoofd van de werkgeversbond, ontvoerden en vermoordden), de Brigata Rossa in Italië (die onder meer voormalig eerste minister Aldo Moro vermoordden na een gijzeling van 55 dagen), de ETA in Baskenland (die een golf van aanslagen begon in 1973 met de moord op Spaans eerste minister Carrero Blanco), Action Directe in Frankrijk (die gebouwen van ministeries bombardeerden en een generaal vermoordden), het IRA in Groot-Brittannië (met onder meer de bomaanslag op het Grand Hotel in Brighton in 1984, waar eerste minister Margaret Thatcher nipt aan de dood ontsnapte). Deze laatste organisatie is de enige in deze lijst die – zij het impliciet – uiteindelijk erkenning heeft gekregen voor de legitimiteit van zijn politieke strijd met het Goede Vrijdagakkoord van 1998.

Het werd toen nog algemeen aanvaard dat men terrorisme niet allen post factum moest bestrijden door de daders te vatten, maar dat motieven van daders moesten worden geanalyseerd om zo tot een beter begrip te komen en preventief onderzoek te doen (zie Aanpak terreur kan wél anders, dat bewijst het verleden). Niet militairen op straat maar het aloude trage, onopvallende, geduldige en jarenlang volgehouden onderzoek door politie-inspecteurs heeft het terrorisme van die periode een halt toegeroepen. Het is alleen deze aanpak die nieuwe aanslagen kan voorkomen.

Artikel oorspronkelijk verschenen in DeWereldMorgen.be.